Een industriële vennootschap sluit met een managementvennootschap een contract af voor de levering van diensten, met name bedrijfsadvies, algemeen beheer en management. Daarvoor wordt een maandelijkse vergoeding voorzien van ruim 30.000,00 EUR. Op dezelfde datum sluit voormelde managementvennootschap een managementovereenkomst af met een derde vennootschap, waarbij de managementvennootschap de derde vennootschap mandateert tot het vervullen van de algemene leiding en het dagelijks bestuur van de industriële vennootschap.

De managementvennootschap betaalt daarvoor maandelijks ruim 10.000,00 EUR aan de derde vennootschap. De managementvennootschap beweert in de materiële onmogelijkheid te verkeren om prestaties te leveren bij gebrek aan immateriële of materiële activa en bij gebrek aan werkingskosten (telefoon, verplaatsingen, …) en doet bijgevolg daarom een beroep op de derde vennootschap. De constructie heeft tot gevolg dat er ongeveer 20.000,00 EUR overblijft voor de managementvennootschap die “geneutraliseerd” wordt door haar financiële kosten. De managementvennootschap betaalt bijgevolg geen vennootschapsbelasting.

De fiscus meent dat de hele constructie uitsluitend om fiscale redenen opgezet werd en herkwalificeert het geheel van transacties in een rechtstreekse managementovereenkomst tussen de industriële vennootschap en de derde vennootschap voor ongeveer 10.000,00 EUR per maand. Het saldo van ongeveer 20.000,00 EUR  (30.000,00 EUR min 10.000,00 EUR) wordt aanzien als het louter doorsluizen van gelden tussen groepsvennootschappen. Dat saldo wordt dan ook verworpen als beroepskost voor de industriële vennootschap en beschouwd als een niet-aftrekbare gift.

Zowel de rechtbank van eerste aanleg als het hof van beroep te Antwerpen volgt het standpunt van de fiscus. De industriële vennootschap gaat vervolgens naar het Hof van Cassatie. Zij roept o.m. in dat het arrest van het hof van beroep de onderscheiden rechtspersoonlijkheid van de verschillende vennootschappen negeert en dat de nieuwe kwalificatie (de rechtstreekse overeenkomst voor 10.000,00 EUR) geen gelijksoortige rechtsgevolgen heeft als de oorspronkelijke overeenkomsten.

Het Hof van Cassatie velt op 10 juni 2010 een arrest (F.08.0067.N/1), verwerpt daarbij het  cassatieberoep en bekrachtigt aldus het arrest. Het Hof verwijst o.m. naar de parlementaire voorbereiding van het toepasselijke artikel 344 §1 WIB 92: “de administratie belasting zal kunnen heffen door aan de verrichtingen een juridische kwalificatie te geven die los staat van die gegeven aan elke akte wanneer de administratie vaststelt dat deze akten uit economisch oogpunt dezelfde verrichting betreffen. “ Het hof stelt vervolgens dat het derhalve mogelijk is om opeenvolgende overeenkomsten tussen diverse partijen te wijzigen in een overeenkomst tussen partijen die niet rechtstreeks met elkaar gecontracteerd hebben, voor zover het vanuit economisch oogmunt om dezelfde verrichting gaat. Dat er tussen de industriële vennootschap en de derde vennootschap geen rechtstreeks verband bestond, belet niet dat de oorspronkelijke twee overeenkomsten van hen met de managementvennootschap omgevormd worden tot één overeenkomst tussen hen beiden.

Eerder hadden lagere rechtbanken meestal geoordeeld dat de fiscus geen tussenvennootschappen kan negeren. Maar nu vindt het Hof dat de fiscus wel een tussenstap mag opzijschuiven die geen economische reden heeft en eerder een “doorgeefluik” vormt tussen twee vennootschappen. Het Hof kiest bijgevolg voor een ruime invulling van de anti-misbruikbepaling van artikel 344 §1 WIB 92 waarbij de economische realiteit lijkt te primeren op de juridische.

Kortom, eens te meer een waarschuwing dat werken met managementvennootschappen niet onoordeelkundig mag gebeuren en steeds goed onderbouwd moet zijn!

Disclaimer