Het Hof van Cassatie heeft opnieuw een arrest geveld over het fiscale lot van inkomsten die Belgische rijksinwoners krijgen uit een Franse société civile immobilière (SCI) die in principe transparant wordt behandeld. Het Hof geeft deze keer de fiscus gelijk, in tegenstelling tot zijn eerdere uitspraak die een “mijlpaal” genoemd werd.

De zaak gaat over het fiscale lot in België van de inkomsten die Belgische inwoners krijgen uit een Franse société civile immobilière (SCI), die niet heeft geopteerd voor de onderwerping aan de Franse vennootschapsbelasting.

Zo’n SCI heeft naar Frans recht rechtspersoonlijkheid, maar wordt voor de Franse inkomstenbelastingen als fiscaal transparant behandeld (tenminste indien zij niet gekozen heeft voor de toepassing van de Franse vennootschapsbelasting) (régime de translucidité). Dat betekent dat de belastbare inkomsten die de vennootschap verkrijgt, rechtstreeks worden belast in hoofde van haar aandeelhouders.

De fiscale behandeling van de inkomsten die een inwoner van België verkrijgt uit een in Frankrijk gelegen onroerend goed (dat via een SCI in eigendom is), wordt bepaald door het dubbel- belastingverdrag tussen België en Frankrijk.

Meestal nam men de inkomsten van zo’n transparante SCI in België als onroerende inkomsten moet beschouwen (o.          a. Brussel 10 september 2013, Fisc. Koer. 2014/370). De term “onroerend goed” moet immers geïnterpreteerd worden volgens de wetten van Frankrijk, waar het betreffende goed gelegen is. Het gaat bijgevolg om onroerende inkomsten omdat er volgens Frans recht doorheen de SCI gekeken moet worden en de aandeelhouders dus fiscaal geacht worden rechtstreeks eigenaar te zijn van het onroerend goed. Op basis van voormeld  verdrag moet België bijgevolg vrijstelling in de personenbelasting verlenen (natuurlijk met voorbehoud van het progressievoorbehoud), omdat die onroerende inkomsten belastbaar zijn in het land waar het vastgoed gelegen is, Frankrijk.

Op 2 december 2004 stelde het Hof van Cassatie dan ook  dat de heffingsbevoegdheid m.b.t. een SCI uitsluitend aan Frankrijk toekomt, aangezien de Franse fiscus de inkomsten van de SCI als onroerende inkomsten beschouwt (Cass. 2 december 2004, FJF 2005, 179) 

Maar de minister van Financiën heeft zich nooit neergelegd bij het standpunt van het Hof van Cassatie De minister vond dat de door de SCI uitgekeerde inkomsten niet als onroerende inkomsten beschouwd kunnen worden.

Ook de Belgische fiscus heeft de voorbije jaren nooit het standpunt van het Hof van Cassatie gevolgd en zo kwam deze problematiek terug voor het Hof van Cassatie.

Het Hof van Cassatie stelt nu dat vooreerst dat volgens artikel 3, § 2 van dubbelbelasting-verdrag België-Frankrijk het begrip “onroerend goed” bepaald wordt volgens de wetten van het land waar het onroerend goed gelegen is (Frankrijk). Maar vervolgens poneert  het Hof, op basis van het Franse wetboek, dat de fiscale behandeling in Frankrijk niet inhoudt dat de maatschappelijke rechten in een SCI als een onroerend goed beschouwd worden. Het gaat bijgevolg niet om onroerende goederen in termen van het verdrag. Op die basis kan men bijgevolg niet stellen dat de inkomsten alleen in Frankrijk belast mogen worden.

De uitspraak van het Hof van Cassatie betekent dus dat de fiscus de Belgische leden in een Franse SCI’s alsnog kan belasten op een dividendinkomen.