Op 22 mei 2015 heeft het Hof van Cassatie een mijlpaalarrest geveld. De tijd is voorbij dat elke onregelmatigheid bij het vergaren van bewijs, er automatisch toe leidt dat de fiscus dat bewijs niet mag inroepen. De Antigoon-doctrine geldt nu ook in fiscale zaken!

 

Vooraf: de rechtbank van Antwerpen paste in 2011 de Antigoon-doctrine toe in een geval waarbij sprake was van een schending van de fiscale procedure door de fiscus zelf, met name een vraag om inlichtingen aan de Portugese fiscus die was verstuurd door de centrale administratie van de BBI, die daarvoor niet als bevoegde autoriteit is aangeduid. [Rb Antwerpen 4 maart  2011, Fisc. Koer. 2011/317.] De rechtbank heeft daar geen probleem mee, ook al vermeldt de administratieve commentaar inzake btw uitdrukkelijk dat een uitwisseling die niet gerealiseerd is tussen bevoegde autoriteiten, de ongeldigheid van de verkregen inlichtingen tot gevolg heeft (Btw-Handleiding, nr. 657). Het Hof van Beroep van Antwerpen bevestigt deze uitspraak, waarop cassatie volgt.

Het Hof van Cassatie stelt vervolgens vast dat “de fiscale wetgeving geen algemene bepaling bevat die het gebruik verbiedt van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van een belastingschuld en, zo daartoe gronden aanwezig zijn, voor het opleggen van een verhoging of een boete”. Van de drie Antigoon-uitsluitingscriteria neemt het Hof er slechts twee over : “Behoudens wanneer de wetgever ter zake in bijzondere sancties voorziet, kan het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken slechts worden geweerd indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.”

Net als van de strafrechter wordt van de fiscale rechter bijgevolg een onderzoek verwacht naar de intrinsieke kwaliteit van de bewijsgaring (behoorlijk bestuur en eerlijk proces), de omstandigheden waarin de bewijsgaring gebeurde (kennelijk onzorgvuldig of zelfs opzettelijk normschendend), de proportionaliteit van de begane onrechtmatigheid ten opzichte van de tenlastelegging, en dat alles met voldoende oog voor het normdoel van de geschonden bepaling.

Wat nieuw is, is dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in fiscale zaken moet worden getoetst niet alleen aan het recht op een eerlijk proces maar ook aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Dat impliceert dat de beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het fair play-beginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel of de zorgvuldigheidsplicht) zich niet in alle omstandigheden verzetten tegen het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs.

Bijgevolg moet de feitenrechter in redelijkheid aan belangenafweging doen en onrechtmatig verkregen bewijs in gegeven omstandigheden (al dan niet) te verzoenen met een behoorlijk handelende fiscus.

Kortom, meer dan ooit moet u niet hopen op een procedurefout om aan de fiscus te ontsnappen, reden te meer om in fiscale zaken doordacht te werk te gaan!