Vanaf aanslagjaar 2014 is de verplichting ingevoerd om juridische constructies te melden waarvan men oprichter of begunstigde is (art. 307, §1, lid 4 WIB 92, wet van 30.07.2013, B.S. van 01.08.2013). Het was bijgevolg te verwachten dat de federale regering vroeg of laat zou beslissen de inkomsten uit die structuren te belasten. 

 Te meer daar ter voorbereiding van de programmawet van december 2013 reeds een amendement in die zin ingevoerd werd, dat echter toen uiteindelijk niet weerhouden werd.

 

Concrete modaliteiten van de huidige beslissing uit het federale regeringsakkoord zijn er nog niet, maar voormeld amendement en  de bewuste meldingsplicht maken al duidelijk in welke richting die zullen gaan.

 

De meldingsplicht en bijgevolg de doorkijkbelasting zullen meer dan waarschijnlijk van toepassing zijn op trusts en fiduciaire structuren (art. 2, §1, 13° a WIB 92) en op buitenlands entiteiten, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die niet aan de inkomstenbelasting onderworpen zijn of aan een aanzienlijk gunstiger regime (art. 2, §1, 13° b WIB 92).  Met dat laatste wordt meestal bedoeld een regime met een belastingtarief van minder dan 10 %. De oprichter is diegene die de constructie opgericht heeft, of die er zijn vermogen al dan niet ten dele in ondergebracht heeft, of de erfgenamen van de voorgaande personen, tenzij zij aantonen dat zij er geen financieel of ander voordeel van zullen genieten (art. 1, §1, 14° WIB 92).

 

Van de voormelde buitenlandse entiteiten werd bij Koninklijk Besluit van 19 maart 2014 (B.S. van 02.04.2014) een exhaustieve lijst gepubliceerd. Die bevat onder meer de Liechtensteinse Anstalt, de Luxemburgse Société de gestion Patrimoine Familiale, de Hong Kong Private Limited Company, een Foundation in Monaco of Zwitserland, …in totaal 69 (!) soorten rechtsvormen.

 

Het amendement voerde vervolgens een “eigendomsfictie” in. M.a.w. het vermogen dat zich in de juridische constructie bevindt, zou nog steeds beschouwd worden als de eigendom van de oprichter. Het kapitaal en de inkomsten ervan worden dan belast in hoofde van de oprichter. Die taxatie zou dan gebeuren volgens het gewone aanslagstelsel dat volgens de regels van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 92 van toepassing is (roerende of diverse inkomsten aan een afzonderlijk tarief, of beroepsinkomsten aan de normale progressieve tarieven). Bij effectieve belasting van meer dan 10 % in het buitenland zou de doorkijk-belasting vermeden kunnen worden. De begunstigde zou onderworpen worden aan een vast tarief van 25 %, als een divers inkomen. Ook voor deze laatste zouden er nog een aantal ontsnappingsroutes mogelijk zijn.

 

Met het wegvallen van het bankgeheim in Luxemburg vanaf 2015, de komende uitbreiding van de Europese Spaarrichtlijn vanaf 2017 en de U.S. “Foreign Account Taks Compliance Act” (FACTA), wordt de kans dat de fiscus op deze vermogensstructuren zicht krijgt met de dag groter. Het is bijgevolg aan te raden desgevallend eens na te denken over een spontane “fiscale regularisatie” ………

 

 

 

 

Koenraad Geerts advocaat te Leuven www.solverius.be