Zijn vruchtgebruikconstructies nog wel mogelijk? Regelmatig duiken er immers berichten op dat de fiscus dergelijke constructies niet alleen viseert, maar ook stelselmatig verwerpt. Het Hof van Cassatie schept nu wat klaarheid.

 

 

Een echtpaar richt in 1995 een vennootschap op met als doel het beoefenen van thuisverpleging. Ook wordt voorzien dat de vennootschap alle mogelijke commerciële, industriële, roerende en onroerende verrichtingen mag doen. In 1995 koopt de vennootschap van één van haar oprichters voor 16 jaar het vruchtgebruik van een stuk grond. Op die grond bouwt de vennootschap een villa met zwembad. Op dat adres wordt ook de maatschappelijke zetel van de vennootschap gevestigd, maar de villa is vooral de privéwoning van het verplegerskoppel. Het vruchtgebruik van de villa wordt afgeschreven en geboekt op de balans onder materiële vaste activa.

De belastingplichtigen krijgen controle en de controleur verwerpt alle afschrijvingen. Die kosten zouden nl. geen aftrekbare kosten cf. art. 49 WIB 92 omdat de activiteiten van de vennootschap in de bewuste villa gelimiteerd zouden zijn tot wat administratieve en boekhoudkundige taken. Gebruik voor de hoofdactiviteit van de vennootschap was niet aangetoond.

De vennootschap vecht de beslissing van de controleur aan, maar krijgt in eerste instantie ongelijk van het Hof van Beroep te Bergen in haar arrest van 12 oktober 2011.

Vervolgens gaat de vennootschap in cassatie en krijgt nu wel gelijk. Het Hof van Cassatie stelt in zijn arrest van 20 juni 2014 vooreerst dat volgens art. 52, 6° WIB 92 afschrijvingen van materiële vaste activa aftrekbare kosten zijn. Het begrip materiële vaste activa moet vervolgens begrepen worden in de betekenis van de boekhoudwetgeving cf. art. 2,§7 WIB 92. Volgens die wetgeving (art. 95, §1, II.A KB/W.Venn.) behoren tot de materiële vaste activa “de andere zakelijke rechten die de vennootschap bezit op een onroerend goed dat zij bestemd heeft om duurzaam te worden gebruikt voor de bedrijfsuitoefening wanneer de vergoedingen bij de aanvang van het contract werden vooruit betaald”. Vermits de villa door de vennootschap gebruikt werd voor de bedrijfsuitvoering, weliswaar slechts beperkt, kon de controleur de afschrijvingen niet volledig uit de kosten weren. Het arrest van Bergen wordt derhalve verbroken.

Kortom, een vruchtgebruikconstructie is nog steeds mogelijk. De vruchtgebruikconstructie hoeft niet verbonden te zijn met de “eigenlijke” activiteit van de vennootschap. Het is mogelijk dat het toch aanvaard wordt als maar deel van het betrokken onroerend goed bv. als kantoor gebruikt wordt.

Uit dit cassatiearrest kan natuurlijk wel afgeleid worden dat de fiscus de afschrijvingen, voor zover die slaan op het privégebruik van een onroerend goed, kan verwerpen.

Eens te meer blijkt dat het bijgevolg van groot belang is om bij fiscale planning met de grootste zorgvuldigheid te werk te gaan!