Als het buitenlandse woning in een land ligt waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft, dan zijn de inkomsten ervan alleen belastbaar in het buitenland. Wel moet die woning toch nog in België aangegeven worden voor het zogenaamde progressievoorbehoud. De andere inkomsten kunnen zo in hogere belastingschijven terechtkomen.

Als die buitenlandse (vakantie)woning niet verhuurd wordt, moet de “huurwaarde” aangegeven worden (art. 7 § 1 1° b WIB 92). Dat bedrag mag verminderd worden met de in het buitenland betaalde belasting. Is het pand verhuurd, dan moeten de effectieve huurinkomsten aangegeven worden.

Van een in België gelegen niet-verhuurd goed wordt echter enkel het geïndexeerd kadastraal inkomen belast. Dat kadastraal inkomen is meestal lager dan de huurwaarde.

Een Belgisch echtpaar bezit een niet-verhuurde vakantiewoning in Frankrijk en had als huurwaarde het Franse kadastraal inkomen aangegeven . Dat kadastraal inkomen is niet hetzelfde als in België, het dient alleen voor de lokale belastingen (taxe foncière en taxe d’habitation).

Dat kadastraal inkomen is lager de huurwaarde. De fiscus vond de opgegeven huurwaarde (het KI dus) te laag. Op basis van een vergelijking met een andere woning in de buurt van de bewuste woning, kwam de controleur tot een jaarlijkse huurwaarde van 7 000,00 €!

Als de woning in België had gelegen en niet verhuurd zou zijn geweest, dan zou de belastingplichtige belast zijn geweest op basis van het Belgisch kadastraal inkomen. Maar omdat hij een woning heeft in Frankrijk, wordt hij nu getaxeerd op de reële huurwaarde die hoger is dan het kadastraal inkomen. Het echtpaar vond dat een schending van het vrij verkeer van kapitaal. Het hof van beroep te Antwerpen, waar hun zaak aanhangig was, stelde daarom een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (Antwerpen 3 september 2013).

Voor het Hof van Justitie staat het vast dat het kadastraal inkomen (in België) lager is dan de huurwaarde op basis waarvan het inkomen van een in een ander land gelegen goed wordt bepaald. Het Hof oordeelt vervolgens dat de nationale rechter moet nagaan of (via het progressievoorbehoud) een hoger tarief in de inkomstenbelasting van toepassing kan zijn al naar gelang van de manier van belasten van de inkomsten van een onroerend goed (op KI of op de huurwaarde). Als dat het geval is, dan is dat onverenigbaar met het vrij verkeer van kapitaal (art. 63 VWEU).

Het Hof stelt vast dat het verschil tussen enerzijds de belasting op het KI en anderzijds die op de huurwaarde in de praktijk als gevolg heeft dat er verschillen zijn in de verschuldigde belasting. Er is bijgevolg sprake van een schending van het vrij verkeer van kapitaal.

Het Hof besluit aldus tot een verboden discriminatie vast en besliste dan ook dat de Belgische rechters deze belastingregels voor buitenlandse vakantiewoningen niet mogen toepassen.

 Als de belastingplichtige steeds de reële huurwaarde aangegeven heeft kan hij nu daar nog op terugkomen door een bezwaarschrift in te dienen voor zover de bezwaartermijn nog loopt natuurlijk. Ook een verzoek tot ambtshalve ontheffing behoort tot de mogelijkheden. Maar doet u er verstandig aan zo’n verzoek of bewaar in te dienen?