In lijn met de rechtspraak van het Hof van Cassatie bepaalt art. 331 van de Arbeidsrelatiewet van 27 december 2006 dat de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie (zelfstandige samenwerking of relatie via een arbeidsovereenkomst) kiezen.

Maar als de feitelijke uitoefening de gekozen kwalificatie uitsluit, moet voorrang gegeven worden aan de feitelijke kwalificatie. M.a.w. de feiten tellen, niet de benaming die partijen aan hun samenwerking geven.

 

De Arbeidsrelatiewet heeft in art. 333 een aantal algemene criteria ingevoerd om de aard van de uitoefening van de arbeidsrelatie te beoordelen: de wil van de partijen zoals die in de overeenkomst werd uitgedrukt, de vrijheid van organisatie van werktijd, de vrijheid van organisatie van werk en

de mogelijkheid om een hiërarchische controle uit te oefenen.

 

Dat had als gevolg dat de rechtbanken, bij de beoordeling van eventuele schijnzelfstandigheid, altijd eerst gingen kijken naar de wil van de partijen zoals die uitgedrukt was in de overeenkomst tussen partijen. Zeker als beide partijen vennootschappen zijn, waar een vermoeden geldt dat het gaat over zelfstandigen en niet over werknemers.

 

Om een efficiëntere controle op de kwalificatie van arbeidsrelaties mogelijk te maken, heeft de wet van 25 augustus 2012  voor bepaalde arbeidsrelaties een weerlegbaar vermoeden ingevoerd. Aan dit vermoeden zijn negen criteria gekoppeld. Indien meer dan de helft van de wettelijk bepaalde criteria vervuld zijn, zal de arbeidsrelatie weerlegbaar vermoed worden een arbeidsovereenkomst te zijn. Zijn minder dan de helft van de criteria vervuld, dan zal de arbeidsrelatie als een zelfstandigenovereenkomst beschouwd worden.

 

Dit nieuwe systeem is van toepassing op arbeidsrelaties in het kader van werken in onroerende staat (bouwsector), in het raam van bewakings- en transportactiviteiten, in de schoonmaaksector en recent ook in de land –en tuinbouw. Als uw sector daar niet onder valt, is het niet uitgesloten dat die daar in de toekomst wél onder zal vallen (de RSZ kan drie jaar teruggaan). Bovendien kan de rechtbank bij een geschil eventueel op deze criteria terugvallen. Daarom valt het aan te bevelen iedere situatie aan deze bijkomende criteria te toetsen.

 

De negen criteria die de wet voor deze arbeidsrelaties (art. 337/2) invoert, zijn:

1)      de ontstentenis van financieel of economisch risico,

2)      de ontstentenis van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht aangaande de financiële middelen van de onderneming,

3)      de ontstentenis van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming,

4)      de ontstentenis van beslissingsmacht over het prijsbeleid van de onderneming, behoudens wanneer de prijzen wettelijk zijn vastgelegd,

5)      de ontstentenis van resultaatsverbintenis betreffende de overeengekomen arbeid,

6)      de garantie op betaling van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten of de omvang van de prestaties,

7)      het feit zelf geen werkgever te zijn van persoonlijk en vrij aangeworven personeel of het ontbreken van de mogelijkheid om voor de uitvoering van het overeenkomen werk personeel aan te werven of zich te laten vervangen,

8)      het zich niet voordoen als een onderneming ten overstaan van andere personen of hoofdzakelijk of gewoonlijk voor één medecontractant werken,

9)       in ruimtes werken waarvan men niet de eigenaar of huurder is of werken met materiaal dat ter beschikking wordt gesteld, gefinancierd of gewaarborgd wordt door de medecontractant.

 

Bij wet van 25 augustus 2012 heeft de wetgever ook de mogelijkheid om een sociale ruling aan te vragen, nieuw leven willen in blazen. De partijen bij een arbeidsrelatie zullen zich immers onder meer tot één jaar na de aanvang ervan tot deze commissie kunnen wenden voor een beslissing over de kwalificatie van hun overeenkomst. Een sociale ruling zal van kracht zijn voor een periode van drie jaar en zal bindend zijn voor de instellingen van de sociale zekerheid.

 

Met deze mogelijkheid verkrijgt u volledige zekerheid maar het is natuurlijk een risico.

 

Wat kan er gebeuren in “het ergste geval”?

 

Klassiek is de situatie dat de RSZ een onderzoek instelt en tot de conclusie komt dat er eigenlijk een arbeidsovereenkomst voorhanden is. Dan zal de RSZ de sociale zekerheidsbijdragen van de laatste drie jaar terugvorderen, meer intresten en boetes, wat een aanzienlijk bedrag zal zijn. Zo’n onderzoek kan ter plaatste gebeuren door sociale inspecteurs die een uitgebreide bevoegdheid hebben om emails te checken (bv. op gegeven richtlijnen, ….), allerlei (ook interne) documenten in te kijken, ….

 

 

Kortom, het is van groot belang dat u tijdig uw contracten van zelfstandige samenwerking eens laar nakijken!